1848 Grondwet

8. De Grondwet en Johan Thorbecke 1848

Koningen van de troon gestoten

In de negentiende eeuw zijn steeds meer mensen het oneens met hoe het gaat in Nederland. Ze vinden dat de koning veel te veel te zeggen heeft en de Staten-Generaal veel te weinig. Tweede Kamerlid Johan Thorbecke bedenkt een verandering van de Grondwet waardoor de Staten-Generaal meer macht krijgen en de koning minder. Maar de koning Willem II is niet van plan iets te veranderen.

In andere landen van Europa komt het volk in opstand tegen hun koningen. Toen andere koningen van hun troon werden gestoten en soms zelfs een kopje kleiner werden gemaakt, werd Willem II bang. Als hij niet zou veranderen, zouden de mensen misschien ook wel zijn paleis gaan bestormen! Van de ene op de andere nacht besluit hij toch in te stemmen met een verandering van de Grondwet. De volgende dag zegt hij tegen zijn ministers: “Vannacht heb ik besloten dat Nederland toch maar een democratie moet worden. Ik ben van een conservatief een liberaal geworden: de Grondwet moet veranderen.” In 1848 krijgt Johan Thorbecke samen met andere Tweede-Kamerleden opdracht om op te schrijven hoe de Grondwet moet veranderen.

Wat sinds 1848 in de Grondwet staat

Tekening van de Ridderzaal

De Grondwet van Thorbecke had een paar belangrijke veranderingen.

  • De leden van de Tweede Kamer werden volgens deze grondwet niet meer indirect gekozen door de Provinciale Staten, maar door het volk.
  • De Eerste Kamer werd niet langer door de koning benoemd. Volgens de nieuwe Grondwet worden de leden indirect gekozen, door de provinciale staten.
  • De Tweede Kamer kreeg bovendien het recht van amendement, het recht van interpellatie en het recht van enquête.

De democratie zoals we die nu hebben in Nederland is begonnen met de eerste grondwetswijziging van Johan Thorbecke. Maar een echte democratische volksvertegenwoordiging is de Staten-Generaal nog niet. Maar heel weinig mensen mochten een stem uitbrengen: alleen mensen met veel geld. Daarom zijn er later nog drie grote aanpassingen gekomen op deze Grondwet. Toen pas mochten alle volwassen mannen en vrouwen meedoen aan verkiezingen.

Een paar voorbeelden van veranderingen van de Grondwet

  • Uitbreiding van het aantal leden van de Tweede Kamer van 86 naar 100 en van de Eerste Kamer van 39 naar 50 leden (1887)
  • Invoering passief kiesrecht voor vrouwen (1917)
  • Invoering van de evenredige vertegenwoordiging bij de verkiezing van de Tweede Kamer (1917)
  • Invoering van de evenredige vertegenwoordiging bij de verkiezing van de Eerste Kamer (1922)
  • Vastlegging van actief (en daarmee algemeen) kiesrecht voor vrouwen (1922)
  • Uitbreiding van het aantal leden van Tweede Kamer van 100 naar 150 leden en Eerste Kamer van 50 naar 75 leden (1956)
  • Verlaging van de minimumleeftijd om Kamerlid te worden van 30 jaar naar 25 jaar (1963)
  • Verlaging van de kiesgerechtigde leeftijd van 23 naar 21 jaar (1963)
  • Verlaging van de kiesgerechtigde leeftijd van 21 naar 18 jaar (1972)
  • Nieuwe grondrechten toegevoegd, zoals bescherming van burgers tegen discriminatie (Artikel 1) (1983)
  • De Eerste Kamer wordt voortaan voor 4 jaar gekozen in plaats van voor 6 jaar (1983)